Rechtswinkel Goeree-Overflakkee

Locaties in Middelharnis, Oude-Tonge & Numansdorp

Vind u het recht interessant en wilt u meer weten over bepaalde juridische onderwerpen?

Met regelmaat zal hier door een van onze medewerkers een bericht worden geplaatst met informatie over veel voorkomende juridische onderwerpen in het dagelijks leven. Zijn er juridische onderwerpen waar u graag eens een blog over wil lezen, laat het ons dan gerust eens weten!


Op welk moment dient de politie in te grijpen bij misdrijven?

1-9-2021

Door: Sjouk Bruinsma

Een lastig probleem voor de politie is om te bepalen op welk moment er moet worden ingegrepen bij een misdrijf zoals bijvoorbeeld een overval of geplande moordaanslag. In het geval van de moord op Peter R. de Vries was er melding gemaakt van een verdacht persoon een week voor de aanslag. Had de politie actie moeten ondernemen en op basis waarvan? Als de politie te vroeg ingrijpt bestaat de kans dat de daders niet strafbaar zijn omdat ze nog niets hebben gedaan wat door de wet strafbaar wordt gesteld. Als de politie te laat ingrijpt kan dit onherstelbare gevolgen hebben. In het onderstaande arrest van het Grenswisselkantoor greep de politie te vroeg in en konden de verdachten niet vervolgd worden voor het ten laste gelegde feit.

Inhoud arrest Grenswisselkantoor (HR 8 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0501)

In het kort weergegeven ging het in dit arrest om het volgende: Op 27 april 1986 hebben twee mannen een overval gepland op een grenswisselkantoor in Bladel. De twee mannen staan met hun gestolen auto met valse kentekenplaten met draaiende motor op een parkeerplaats nabij het grenswisselkantoor en wachten daar op de komst van de kantoorbediende die het kantoor zal openen. De kantoorbediende ziet de auto staan die hij een dag eerder ook al had gesignaleerd en vindt dit verdacht. In plaats van het kantoor te openen, zorgt hij ervoor dat de politie wordt gewaarschuwd. Als een politieauto ter plaatse komt, gaan de mannen ervandoor. Zij worden na een wilde achtervolging tot stoppen gedwongen. De mannen dragen dubbele kleding en pruiken. In de auto waren een dubbelloops jachtgeweer, een imitatie-vuistvuurwapen, handboeien en tape aanwezig. De verdachten wordt poging tot afpersing (artikel 317 Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr) ten laste gelegd. Van afpersing is sprake als iemand met geweld of bedreiging wordt gedwongen om een goed (geld) af te geven. De twee mannen worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

Poging tot misdrijf

Artikel 45 lid 1 Sr luidt als volgt: Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Voor een strafbare poging moet het dus een misdrijf betreffen en niet een overtreding. Of een bepaald delict een misdrijf of een overtreding is, wordt bepaald door de wet. Overtredingen zijn licht strafbare feiten zoals vandalisme en openbare dronkenschap. Misdrijven zijn zwaardere strafbare feiten zoals moord, diefstal en verkrachting.

Wanneer is sprake van een begin van uitvoering? Deze vraag heeft de Hoge Raad beantwoord in het arrest Uitzendbureau Cito (HR 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373). In dit arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat sprake is van een begin van uitvoering wanneer de verdachte een gedraging heeft verricht die naar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als zijnde gericht op de voltooiing van het misdrijf.

De rechtbank oordeelde in het arrest Grenswisselkantoor dat ‘niet is gebleken dat er sprake is van enig begin van uitvoering, nu verdachten in de auto zijn blijven zitten en geen enkele verdere actie ter uitvoering van hun voornemen hebben ondernomen’. De Hoge Raad gaf de rechtbank hierin gelijk.

De verdachten konden niet veroordeeld worden voor poging van het ten laste gelegde misdrijf. Een goede timing voor de politie is dus belangrijk, want als de politie had gewacht met de aanhouding tot de verdachten de auto waren uitgestapt had dit voor de strafbaarheid een groot verschil gemaakt.

Voorbereiding tot misdrijf

De rechters beoordeelden de handelingen van de mannen in het arrest Grenswisselkantoor als ‘voorbereiding’ van het misdrijf. Voorbereiding van een misdrijf was in 1987 nog niet strafbaar. Het arrest van het Grenswisselkantoor heeft invloed gehad op de wetgever om ook de voorbereiding van een misdrijf strafbaar te stellen. De voorbereiding van een misdrijf is al strafbaar vóórdat er een begin van uitvoering is.

Bij een strafbare voorbereiding door een verdachte moet er sprake zijn van:

- een misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld

- er moeten opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf aanwezig zijn.

De verdachten van het arrest Grenswisselkantoor zouden nu dus veroordeeld kunnen worden op grond van artikel 46 lid 1 Sr: voorbereiding van een misdrijf.

Strafbaarheid van poging of voorbereiding

Een poging tot misdrijf is strafbaar met tweederde van de maximale straf die op het voltooide delict staat. Een voorbereiding tot misdrijf is strafbaar met de helft van de maximale straf die op het voltooide delict staat.

De vraag of sprake is van een poging of een voorbereiding tot misdrijf is niet altijd duidelijk en zal uiteindelijk door de rechter beslist moeten worden. Van belang is wat de verdachte precies heeft gedaan en welke feiten zijn waargenomen/bewezen. Daarnaast speelt steeds het desbetreffende misdrijf een belangrijke rol. Zo kan dezelfde gedraging (bijvoorbeeld inklimming) voor diefstal een poging, maar voor doodslag nog slechts een voorbereidingshandeling zijn.

Vrijwillige terugtred

Bij een poging of voorbereiding kan de dader er voor kiezen om het beoogde misdrijf uiteindelijk niet te plegen. Er is dan sprake van vrijwillige terugtred. In dit geval is de ‘dader’ niet strafbaar aan het geplande misdrijf. Deze keuze moet wel vanuit de dader zelf komen en niet veroorzaakt worden doordat het bijvoorbeeld door onverwachte omstandigheden te gevaarlijk wordt. Als een inbreker ervandoor gaat omdat het alarm afging, is er geen sprake van vrijwillige terugtred. Ook hier is het de rechter die bij twijfel de knoop door zal moeten hakken.

Conclusie

Achteraf is duidelijk dat in het geval van Peter R. de Vries werk had moeten worden gemaakt van de melding van de verdachte persoon een week voor de aanslag. Of de verdachte een strafbaar feit ten laste kon worden gelegd is afhankelijk van de feiten. Vindt de politie bij de verdachte een notitie met aanwijzingen, heeft de verdachte een verklaring voor zijn aanwezigheid, is er op zijn telefoon iets te vinden? Aan de verdachte kon misschien poging tot misdrijf, voorbereiding tot misdrijf of geen enkel strafbaar feit ten laste worden gelegd. De politie staat voortdurend voor een dilemma, moet ze ingrijpen en zo ja, op welk moment?


Jeugdigen die volwassen misdaden plegen, volwassen straffen?

20-8-2021

Door: Jana van der Sar

“15-jarige verdachte steekpartij Beverwaard wordt verdacht van doodslag”, kopten verschillende nieuwssites begin deze maand. Steeds vaker worden we met dit soort situaties geconfronteerd: jongeren die elkaar te lijf gaan met een mes, moorden, zedendelicten of andere ernstige misdrijven plegen. Vaak wordt er voor deze jeugdige delinquenten een lagere straf opgelegd dan voor een volwassene die hetzelfde gedaan heeft. Maar waarom eigenlijk? Waar kijken rechters en justitie naar als ze een straf opleggen? En is dat wel eerlijk? Of zouden rechters de leeftijd van de dader naast zich neer moeten leggen en alleen naar het misdrijf moeten kijken? In deze blog leest u hoe jeugdige daders – tussen de 12 en 18 jaar – bestraft worden, wat de maximale straf voor een jeugdige is, of die straf hoger kan worden en wat er wordt meegenomen als de straf voor een jeugdige delinquent bepaald wordt.

In het Wetboek van Strafrecht (artikel 77a) staat dat jongeren tussen de 12 en 18 jaar gestraft worden volgens het jeugdstrafrecht. Voor jongeren die een misdrijf hebben gepleegd gelden dus andere regels dan voor volwassenen. Vaak betekent dat een lagere straf. Jongeren van 14 of 15 jaar kunnen maximaal 1 jaar gevangenisstraf krijgen, en voor 16- of 17-jarigen geldt een maximale gevangenisstraf van 2 jaar. Dit is wel wat anders dan de 30 jaar tot levenslange gevangenisstraf voor volwassen. Zeker wanneer je bedenkt dat sommige jongeren dezelfde misdrijven kunnen plegen als volwassenen. Waarom is dat zo? En kunnen ze echt niet hoger gestraft worden als dat duidelijk terecht is?

De wetgever (dat zijn de regering en de Eerste en Tweede Kamer) heeft het jeugdstrafrecht ingevoerd met het oog op de ontwikkeling en heropvoeding van jongeren die een misdrijf hebben gepleegd. Het idee hierachter is dat jongeren nog in ontwikkeling zijn, en daardoor kwetsbaarder. Omdat sommige hersenfuncties nog niet goed ontwikkeld zijn kunnen ze minder verantwoordelijk worden gehouden voor hun gedrag dan volwassenen. De straffen voor jeugdige delinquenten zijn dan ook gericht op het geven van een tweede kans, heropvoeding en het voorkomen dat de jongere opnieuw de fout in gaat. Het doel is dat jongeren die een misdrijf gepleegd hebben hun gedrag veranderen en uiteindelijk weer gewoon kunnen meedoen in de samenleving. Echter zal herintegratie in de samenleving niet snel worden bereikt als jongeren 30 jaar in de gevangenis worden vastgezet. Dit is de reden dat lagere straffen in het jeugdstrafrecht gerechtvaardigd zijn volgens de wetgever.

In plaats van een gevangenisstraf of naast een gevangenisstraf kunnen jeugdige delinquenten ook een zogenoemde PIJ-maatregel krijgen, een soort jeugd-terbeschikkingstelling. PIJ staat voor Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen. Dit gebeurt bij jongeren met een ontwikkelingsstoornis of psychische aandoening. Deze jongeren zijn daardoor eigenlijk nog kwetsbaarder dan ‘gewone’ jongeren. In een justitiële inrichting krijgen ze — vaak bovenop een gevangenisstraf — intensieve behandeling en begeleiding om herhaling van het misdrijf te voorkomen. Ook dit is dus vooral gericht op de heropvoeding en reïntegratie van de jeugdige delinquent. Een dergelijke PIJ-maatregel kan maximaal 7 jaren duren. Dan is de lage straf toch niet meer zo laag…

In het ergste geval kunnen 16- en 17-jarige daders zelfs gestraft worden volgens het volwassenstrafrecht. In de wet staat dat dat mag als de rechter het nodig vindt op basis van “de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan” (Wetboek van Strafrecht, Artikel 77b). Dat betekent dus dat er voor jongeren van 16 en 17 jaar volwassen straffen opgelegd kunnen worden als het misdrijf heel ernstig is of als de jongen of het meisje een heel volwassen indruk maakt. Dit gebeurt in de praktijk echter weinig. Rechters vinden namelijk vaak het pedagogische perspectief — dat van ontwikkeling en heropvoeding — van het jeugdstrafrecht heel belangrijk.

Gevangenisstraffen in het jeugdstrafrecht zijn dus veel lager zijn dan die in het volwassenstrafrecht. Dit heeft echter een doel. Door een kortere straf krijgen jonge daders de kans om te reïntegreren in de samenleving. Naast de lage gevangenisstraf kunnen jongeren nog een PIJ-maatregel van maximaal 7 jaar krijgen. De jeugdige krijgt zo de kans om aan zichzelf te werken en zijn verleden goed te maken. Daarnaast kan, als het gepleegde delict écht ernstig is, zelfs het volwassenstrafrecht toegepast worden op jongeren van 16 en 17 jaar, waardoor de gevangenisstraf alsnog verhoogd kan worden. Op de verdachte van de steekpartij in Beverwaard kan dit niet toegepast worden: hij was nog maar 15, en krijgt dus waarschijnlijk een gevangenisstraf van maximaal 1 jaar. Dit voelt misschien oneerlijk: de jongen heeft toch iemand gedood. Maar is het niet ook mooi dat justitie onze kinderen wil beschermen en ze de mogelijkheid wil geven terug te keren in de samenleving? 


Huren tijdens de Coronapandemie

14-7-2021

Door: Claire van Beuningen

Huren tijdens de coronapandemie was niet voor iedereen even gemakkelijk. Door de deze pandemie zijn er veel arbeidsplaatsen en hierdoor ook het inkomen van vele mensen verloren gegaan. Wanneer een inkomen wegvalt, kan het moeilijk zijn om aan de huurovereenkomst te voldoen, omdat er simpelweg geen geld is om het maandelijkse huurbedrag te betalen. Indien huurders niet aan een huurovereenkomst kunnen voldoen, mag de verhuurder de huurovereenkomst in beginsel ontbinden. Een lichtpuntje is dat er tijdens de pandemie corona-rechtspraak ontwikkeld is op het gebied van het huurrecht. In de uitspraken worden huurders in bepaalde gevallen tegemoetgekomen. In deze blog zal eerst ik de huurovereenkomst bespreken. Vervolgens wordt de corona-rechtspraak in het huurrecht en de daarbij komende implicaties uiteengezet.

De huurovereenkomst

Een huurovereenkomst komt in het dagelijks leven in allerlei vormen voor. Denk bijvoorbeeld aan het huren van: de kantoorruimte voor uw eigen bedrijf, een huis of appartement, winkelruimte voor uw groentezaak of een boormachine van de bouwmarkt. Een huurovereenkomst is – zo omschrijft de wet het – een afspraak, waarbij de ene partij (de verhuurder) zich verplicht om aan de andere partij (de huurder) een zaak in gebruik te geven, terwijl de huurder verplicht is tot het doen van een tegenprestatie (artikel 7:201 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW).

Basisverplichtingen

Dus indien een huurovereenkomst wordt gesloten, moet de huurder en de verhuurder aan een aantal verplichtingen voldoen, zodat de huurovereenkomst in stand blijft. De verhuurder moet datgene wat hij wil verhuren ter beschikking stellen aan de huurder. De huurder moet op een normale manier gebruik kunnen maken van datgene wat hij huurt. Men spreekt dan ook wel van het huurgenot van de huurder (artikelen 7:203 e.v. BW). De huurder moet als tegenprestatie huur betalen. Bovendien moet de huurder zich als een ‘goed huurder’ gedragen. Huurders moeten dus zorgvuldig met het gehuurde, bijvoorbeeld een woning of een kantoorruimte, omgaan (artikelen 7:212 e.v. BW).

Wanprestatie

Als een van beide partijen zich niet aan zijn verplichtingen houdt, spreekt men van wanprestatie. In juridisch jargon schiet een partij, zowel de huurder als de verhuurder, dan in ernstige mate tekort in de nakoming van de huurovereenkomst (artikel 6:74 BW). De benadeelde partij kan de andere partij natuurlijk aanspreken op deze tekortkoming. Hij kan eisen dat:

-         De overeenkomst alsnog op een juiste wijze wordt nagekomen, of;

-         De overeenkomst beëindigd wordt, of;

-         De tekortschietende partij schadevergoeding betaalt.

Beëindiging van de huurovereenkomst door ontbinding

Dus wanneer u, als huurder, de huurprijs niet meer kunt betalen, kunt u niet meer aan uw basisverplichting voldoen, dan is er sprake van wanprestatie (artikel 6:74 BW) en vindt beëindiging van een huurovereenkomst plaats door ontbinding (artikel 6:265 BW). Maar wat houdt ontbinding precies in? Ontbinding is eenzijdige handeling die ervoor zorgt dat bij het beëindigen van een huurovereenkomst de huurder het gehuurde moet ‘teruggeven’ aan de verhuurder en de verhuurder de huurprijs niet meer zal ontvangen.

Corona-rechtspraak in het huurrecht

In maart 2020 is de eerste rechtspraak verschenen over huurders die hun huurbetalingsverplichting aan de verhuurder niet (ten volle) konden of wilden nakomen. Nu, meer dan een jaar verder, is het tijd om deze rechtspraak allemaal op een rij te zetten.

Onvoorziene omstandigheden (1)

Onvoorziene omstandigheden zijn omstandigheden die partijen niet (expliciet of impliciet) in hun overeenkomst hebben opgenomen. Waar partijen al dan niet stilzwijgend in hebben voorzien, zal per huurovereenkomst verschillen en dient dus telkens aan de hand van de voorliggende huurovereenkomst te worden bepaald. Uit de eerste rechterlijke uitspraken inzake de corona-rechtspraak volgt dat het leerstuk van de onvoorziene omstandigheden ex artikel 6:258 BW wat mogelijk maakt voor huurders in nood, namelijk dat een geslaagd beroep op artikel 6:258 BW eventueel kan leiden tot huurkorting (vermindering van huurbedrag).

Het is dan ook opvallend dat sommige rechtbanken aan de hand van uitspraken van andere rechters hebben vastgesteld dat sprake is van onvoorziene omstandigheden.

Een voorbeeld hiervan is de uitspraak van de rechtbank Amsterdam op 15 december 2020: ‘’In verschillende huurrechtelijke kort gedingen is reeds geoordeeld dat de beperkende overheidsmaatregelen als gevolg van de coronacrisis de onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW opleveren (ECLI:NL: RBAMS:2020:6951).’’

Strenge maatstaf

Indien eenmaal is vastgesteld dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden, komt het aan op de vraag of die omstandigheden van dien aard zijn dat de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst mag verwachten en of bijvoorbeeld een tijdelijke huurverlaging op zijn plaats is. Dit is een strenge maatstaf. Onvoorziene omstandigheden worden dan ook niet snel aangenomen (ECLI:NL:HR:1998:ZC2587). Dit komt ook naar voren in het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 december 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:12433). Het wordt in dit vonnis duidelijk dat het enkele feit dat we te maken hebben met een coronacrisis met ingrijpende overheidsmaatregelen onvoldoende is voor een prijsvermindering op grond van onvoorziene omstandigheden, omdat daarvoor alle omstandigheden van het geval relevant zijn. Een opsomming van welke omstandigheden een rol kunnen spelen, volgde: wat partijen zijn overeengekomen, de hoedanigheid van partijen, in hoeverre de huurder door overheidsmaatregelen werd geraakt, de mate waarin de huurder door de overheid is gecompenseerd en in hoeverre de huurder anders had kunnen of moeten handelen, alsmede de belangen en de financiële positie van de verhuurder. Het enkele verlies van omzet in die periode is van groot belang, maar niet doorslaggevend. Ook de rechtbank Gelderland oordeelde op 17 februari 2021 (ECLI:NL:RBGEL:2021:782) dat de afweging in het kader van 6:258 BW tot terughoudendheid noopt.

Gebrekenregeling (2)

Voorts speelt in sommige corona-uitspraken ook de gebrekenregeling een rol. De gebrekenregeling is in beginsel van toepassing op alle huurovereenkomsten en staat in artikel 7:204 BW omschreven. Allereerst moet er voor de toepassing van de gebrekenregeling sprake van een gebrek zijn. Onder een gebrek valt kort gezegd alle omstandigheden die het gebruik van het gehuurde beperken en die niet aan huurder zelf liggen. Wanneer er dan sprake is van een gebrek is het uitgangspunt dat de verhuurder verplicht is gebreken te verhelpen.

Over de vraag of de coronamaatregelen als gebrek kunnen worden aangemerkt, lijkt in de rechtspraak geen discussie te bestaan. Zo overwoog de rechtbank Amsterdam op 8 maart 2021 (ECLI:NL: RBAMS:2021:941) dat het inmiddels vaste rechtspraak is dat de coronacrisis en de op die grond door de overheid gelaste verplichte sluiting van bedrijven een gebrek opleveren op grond van artikel 7:204 BW. Dit houdt in dat het huurgenot van de huurder negatief wordt beïnvloed. Met name in de artikelen 7:206 t/m 208 is bepaald wat de consequenties van de aanwezigheid van een gebrek in of aan het gehuurde kunnen zijn. Artikel 7:207 BW ligt dan het meest voor de hand en zorgt voor een evenredige vermindering van de huurprijs vanwege het gebrek.

Gelijkelijk verdeling (3)

Tot slot heeft het ‘gelijkelijk verdelen’ van het nadeel er in een behoorlijk aantal gerechtelijke uitspraken toe geleid dat rechters ervan uit gingen dat gedurende een gedwongen sluiting van een pand 50% van de huur verschuldigd is. (ECLI:NL:RBDHA:2021:461). Rechters overwogen veelal dat verhuurders ook doorlopende kosten hebben, maar oordeelden dat dat niet in de weg stond aan een dergelijke verdeling van het nadeel. Een huurvermindering met 50% tijdens een gedwongen sluiting lijkt een uitgangspunt te zijn dat in voorkomende gevallen wordt bijgesteld, aangezien de overheidssteun in vele gevallen ontoereikend is. 

Conclusie

Er zijn dus nogal wat mogelijkheden voor een huurder van bijvoorbeeld een woonruimte of een bedrijfspand om in aanmerking te komen voor vermindering van het maandelijkse huurbedrag tijdens de coronapandemie. Ten eerste kunnen onvoorziene omstandigheden zorgen voor huurkorting maar dan moet u wel voldoen aan de strenge maatstaf van redelijkheid en billijkheid. Ook kan de gebrekenregeling zorgen voor huurkorting: coronamaatregelen worden immers aangemerkt als een gebrek aan het gehuurde object. Tot slot kan het ‘gelijkelijk verdelen’ van het nadeel ertoe leiden dat u, als huurder, 50% minder huur hoeft te betalen, maar dan moet er wel sprake zijn van een gedwongen sluiting van een pand, zoals een winkel.

Heeft de pandemie u geraakt, en kunt u hierdoor niet uw volledige huurbedrag meer betalen? Schroom dan niet om contact met ons op te nemen, wellicht maakt de corona-rechtspraak wat mogelijk voor u.

   

Uw ongenoegen uiten over plannen van de gemeente: de zienswijze

16-6-2021

Door: Arjen Breeman

In de komende jaren zullen er in Nederland veel nieuwe woonwijken verschijnen om voor genoeg huizen voor iedereen te zorgen. Maar wat nu als door een nieuwe woonwijk uw uitzicht vanuit het keukenraam wordt verpest? Wellicht wilt u dan vóórdat het plan definitief vastligt al uw ongenoegen uiten over de bouwplannen. De gemeente zal een ontwerpbesluit ter inzage leggen, en hierover publiceren in bijvoorbeeld een plaatselijke krant of via internet, zodat u weet dat er een voornemen is om de woonwijk te gaan bouwen. U kunt daarop een zienswijze indienen bij de gemeente, waarin u aangeeft wat u van de plannen vindt. In deze blog leest u aan de hand van vier vragen meer over hoe dit precies werkt!

Wat is een zienswijze?

Een zienswijze is een document waarin u aangeeft wat uw mening is over een ontwerpbesluit van een bestuursorgaan. Een bestuursorgaan is op grond van artikel 1:1 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ‘een orgaan van een rechtspersoon ingesteld krachtens publiekrecht’. Een voorbeeld om dit wat te verduidelijken: de gemeente is een rechtspersoon ingesteld krachtens publiekrecht, en het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad zijn organen van de gemeente. Het college en de gemeenteraad zijn dan dus bestuursorganen. Een voorbeeld van een ontwerpbesluit van een bestuursorgaan is het wijzigen van een bestemmingsplan, hetgeen vaak nodig is om een nieuwe woonwijk te kunnen bouwen. Een zienswijze biedt dus de mogelijkheid om uw mening kenbaar te maken over een voorgenomen besluit.

Wanneer mag ik een zienswijze indienen?

Bij deze vraag zijn twee dingen relevant: u moet belanghebbende zijn en de zienswijze op tijd indienen. Een belanghebbende wordt door artikel 1:2 lid 1 Awb gedefinieerd als: ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. Als een besluit rechtstreeks aan u is geadresseerd bent u per definitie belanghebbende bij dat besluit. Dit is bijvoorbeeld het geval als u een vergunning aanvraagt om een boom te mogen kappen. In de rechtsspraak zijn vijf criteria ontwikkeld om te bepalen of u een belanghebbende bent bij een besluit dat niet aan u is geadresseerd:

  • U dient een eigen belang te hebben: u kunt niet voor het belang van iemand anders opkomen, tenzij diegene u heeft gemachtigd om namens hem/haar een zienswijze in te dienen
  • Het belang moet objectief bepaalbaar zijn: een subjectief gevoel is niet voldoende om belanghebbende te zijn, er moeten daadwerkelijk gevolgen van enige betekenis zijn. Zo is bijvoorbeeld ’s nachts het rode lampje van windmolens op 5 kilometer zien niet voldoende, maar als op 500 meter van uw huis een windmolenpark gebouwd wordt, zijn er zeker wél gevolgen van enige betekenis en dus een objectief bepaalbaar belang.
  • Uw belang dient actueel te zijn: als slechts sprake is van een onzekere of toekomstige situatie is het belang niet actueel. Als eenmaal een ontwerpbesluit ter inzage ligt dan zal het belang in beginsel actueel zijn
  • Het moet een persoonlijk of individueel belang betreffen: dit betekent dat u zich voldoende dient te onderscheiden van personen die niet als belanghebbende worden gezien
  • Tenslotte dient het belang rechtstreeks te zijn: het voorgenomen besluit moet in een rechtstreeks verband staan met uw belang

Dit worden ook wel de OPERA-criteria (Objectief, Persoonlijk, Eigen, Rechtstreeks, Actueel) genoemd. Als u hieraan voldoet wordt u aangemerkt als belanghebbende en kunt u een zienswijze indienen.

Verder is ook de termijn van belang. In beginsel is de termijn voor het indienen van een zienswijze 6 weken vanaf de dag dat het ontwerp besluit ter inzage ligt. Als u na het verstrijken van de termijn nog een zienswijze indient is het bestuursorgaan niet verplicht hier inhoudelijk iets mee te doen.

Welke gegevens en informatie moet ik opnemen in de zienswijze?

Het is belangrijk dat in de zienswijze alle informatie staat die het bestuursorgaan nodig heeft om uw zienswijze te kunnen behandelen. De volgende gegevens dient u in een zienswijze te vermelden: het plan of ontwerpbesluit waarover u uw mening wilt geven, met een eventueel dossiernummer daarvan, de redenen (en de motivatie daarvan) waarom u een zienswijze indient, de datum, uw naam en adres en uw handtekening. Als iemand anders namens u een zienswijze indient, moet u een ondertekende schriftelijke machtiging meesturen.

Wat gebeurt er na het indienen van een zienswijze?

Iedere zienswijze die wordt ingediend moet worden betrokken en behandeld bij het uiteindelijk besluit. Ook moeten allen zienswijzen worden vermeld in het definitieve besluit, en moet daarbij worden aangegeven wat met de zienswijze is gebeurd en of deze hebben gezorgd voor aanpassingen in het ontwerpbesluit. Als laatste hoort iedere indiener van een zienswijze een afschrift te krijgen van het definitieve besluit.

Soms kan het ook zijn dat het noodzakelijk is om een zienswijze in te dienen als u de mogelijkheid open wil houden om in beroep te gaan bij de rechtbank. Als u ondanks het indienen van uw zienswijze niet tevreden bent met het definitieve besluit, kunt u een beroepsprocedure starten bij de rechtbank. Als u echter geen zienswijze heeft ingediend op het ontwerpbesluit om het bestemmingsplan te veranderen, dan kunt u deze gerechtelijke procedure niet starten.

Als u vragen heeft over dit onderwerp of over iets anders, schroom dan niet om contact met ons op te nemen!

Mediation als alternatieve geschiloplossing

19-5-2021

Door: Sissi Huys

Met een geschil naar de rechter stappen is vaak een behoorlijke stap, zowel op emotioneel als financieel gebied. In plaats daarvan zou u ook een mediationtraject kunnen overwegen. Hierbij overziet de mediator als onafhankelijke partij het gesprek tussen u en uw wederpartij. De mediator heeft als doel een oplossing te vinden waar alle partijen akkoord mee gaan. Een mediator heeft naast een opleiding tot mediator vaak ook een juridische opleiding gevolgd. Erkende mediators zijn aangesloten bij de MfN (Mediator federatie Nederland).

Mediation wordt vaak gebruikt bij scheidingen, maar kan bij allerlei geschillen nuttig zijn. Denk hierbij aan geschillen tussen werkgever en werknemer, of wanneer een partij schade heeft veroorzaakt bij een ander.

Hoe gaat een mediator te werk?

Een mediator is neutraal en probeert de oplossing te vinden die voor beide partijen het beste is. Dit in tegenstelling tot een advocaat, die alleen het belang van zijn cliënt dient. Het doel is om de oplossing te vinden door middel van een prettig overleg, zodat de stap naar de rechter niet nodig is.

Eindoplossing

Een succesvol mediationtraject eindigt met een vaststellingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek of een andere schriftelijke overeenkomst. Hierin worden de afspraken die gemaakt zijn tijdens de onderhandeling vastgelegd.

Voordelen van mediation

Misschien wel het grootste voordeel van mediation is de informele manier van onderhandelen, ter voorkoming van (verder) conflict. Dit is vooral fijn als u nog vaak met de wederpartij te maken moet hebben. Denk hierbij aan een werkgever, een buurman, of een ex-partner waar u kinderen mee heeft.

Verder heeft u bij mediation meer invloed op hoe het geschil wordt opgelost. U neemt zelf deel aan de onderhandeling en u kunt een mediator kiezen bij wie u zich fijn voelt. Bij een gerechtelijke procedure wordt immers de uiteindelijke beslissing volledig in de handen van de rechter gelegd. Dit kan enige onzekerheid over de uitkomst met zich meebrengen.

Nog een groot voordeel is dat mediation vaak sneller en goedkoper is dan een gerechtelijke procedure, waarbij u griffierechten en advocaatkosten moet betalen. Indien u een laag inkomen heeft en weinig spaargeld, kan het zijn dat u een ‘toevoeging’ kunt verkrijgen bij de Raad op de Rechtsbijstand. Dan betaalt de overheid dus een deel van de kosten van de mediator voor u.

Nadelen van mediation

Mediation is natuurlijk alleen mogelijk als beiden partijen hiervoor open staan. Dit is meteen het grootste nadeel, want de wederpartij wil hier niet altijd aan meewerken.

Bovendien kan het zo zijn dat u er tijdens de onderhandelingen toch niet samen uitkomt. Het mediationtraject strandt hier dan, want de mediator zal zelf nooit een knoop kunnen doorhakken. Het kan zijn dat u dan alsnog de stap naar de rechter moet maken als u het geschil wil oplossen.

Conclusie

Mediation kan een informele, goedkope manier zijn om een geschil op te lossen. Hiervoor is echter wel wederzijdse inspanning en inleving nodig, om tot een oplossing te komen die voor beide partijen aanvaardbaar is. Dit is niet altijd mogelijk en het kan zijn dat u daarom alsnog de stap naar de rechter moet maken. Toch is het raadzaam om in ieder geval te inventariseren bij de wederpartij of mediation een mogelijkheid is. Een eerste gesprek met een mediator is bij sommige mediators zelfs gratis.

Overweegt u zelf om een mediator in te schakelen maar twijfelt u nog? Of heeft u op een ander vlak juridisch advies nodig? Neem dan gerust contact met ons op! 

Het retentierecht: gelijk oversteken alstublieft

20-04-2021

Door: Jochem van der Graaff

Als ondernemer kan het, gezien de huidige economische crisis, prettig zijn om betaling van de factuur af te dwingen middels het retentierecht. Het retentierecht biedt een schuldeiser (de ondernemer) de mogelijkheid om de afgifteverplichting van een zaak op te schorten totdat de schuldenaar (zijn klant) de vordering (factuur) betaalt. Bovendien biedt het retentierecht bij blijvende niet-betaling een sterke goederenrechtelijke positie bij solvabiliteitsproblemen van uw schuldenaar. Denk hierbij aan de mogelijkheid om de vordering op de zaak te verhalen met voorrang op andere schuldeisers. Lees in deze blog wanneer u het retentierecht kunt inroepen en in welke situaties het erg handig kan zijn.

Het retentierecht is geregeld in de artikelen 3:290 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Zoals gezegd biedt het retentierecht de schuldeiser de mogelijkheid om zijn afgifteverplichting van een zaak op te schorten totdat de schuldenaar de vordering betaalt.

U heeft bijvoorbeeld een autogarage en besluit, wegens niet-betaling van de gerepareerde versnellingsbak, de afgifte van de auto op te schorten jegens de klant. Doordat de klant natuurlijk zijn auto terug wil, dwingt u, door opschorting van de afgifte, de betaling van de factuur af. Er zijn echter wel een aantal elementen waaraan voldaan moet zijn voordat het retentierecht rechtmatig uitgeoefend kan worden.

Een zaak

Allereerst moet het opgeschorte object een ‘zaak’ zijn. Artikel 3:2 BW zegt dat een zaak een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object is. Denk hierbij aan een horloge, auto, mobiel, maar ook een stuk grond met daarop een huis.

Een opeisbare vordering

Daarnaast moet er sprake zijn van een opeisbare vordering. Indien u op de factuur geen betalingstermijn bent overeengekomen is de vordering direct opeisbaar (artikel 6:39 BW). Indien u wel een betalingstermijn bent overeengekomen is de vordering pas opeisbaar wanneer deze termijn verstreken is. De vordering tot betaling dient dus opeisbaar te zijn voordat het retentierecht rechtmatig uitgeoefend kan worden.

Voorts dient te worden opgemerkt dat het retentierecht louter bestaat wanneer er überhaupt een verplichting tot afgifte is. U kunt dus alleen het retentierecht inroepen wanneer er een afgifteverplichting aan uw kant bestaat. 

Feitelijke macht over de zaak aan de kant van de retentor

Tot slot dient de retentor (de persoon die het retentierecht uitoefent) feitelijke macht over de zaak te hebben. Bovendien moet die feitelijke macht op een rechtmatige wijze zijn ontstaan. Het retentierecht kan dus niet rechtmatig uitgeoefend worden wanneer de retentor de zaak op onrechtmatige wijze in zijn feitelijke macht heeft verkregen. 

Het moment waarop de retentor de feitelijke macht verliest over de zaak, dus hem bijvoorbeeld teruggeeft aan de eigenaar, verliest hij ook het retentierecht. U kunt vervolgens de zaak dus niet ‘terugpakken’ omdat u zich dan dus op onrechtmatige wijze de feitelijke macht over de zaak verschaft.

Ter volledigheid dient vermeld te worden dat het retentierecht onder omstandigheden ook inroepbaar is jegens derden met een ouder dan wel nieuwer recht ten aanzien van de zaak waarover het retentierecht wordt uitgeoefend. In het geval van de autogarage kunt u bijvoorbeeld denken aan de volgende situatie. Een klant komt bij u met zijn lease auto om de versnellingsbak te laten repareren. De klant betaald zowel de autogarage als de lease maatschappij  al tijden niet meer wegens een gebrek aan inkomen. De leasemaatschappij heeft een pandrecht op de auto, zoals dat vaak gaat met lease constructies, en vordert derhalve aflevering van de auto jegens de autogarage. De autogarage kan middels het retentierecht dan de afgifteverplichting jegens de leasemaatschappij (de derde) opschorten totdat zijn vordering betaald wordt. De leasemaatschappij is dus gebaat bij de betaling van de vordering die de autogarage op de wanbetalende klant had om zo zijn pandrecht te kunnen uitoefenen. De leasemaatschappij zal dan ook hoogstwaarschijnlijk de vordering namens de klant betalen. Door het retentierecht dus in te roepen jegens een derde weet de autogarage zijn vordering betaald te krijgen in een situatie waarin, hij bij geen beroep op dit recht, waarschijnlijk naar zijn geld kon fluiten.

Voorts is het retentierecht ook onder omstandigheden in te roepen jegens dezelfde (rechts)persoon maar ten aanzien van een andere vordering die u op deze (rechts)persoon heeft. Bovendien geeft het retentierecht een sterkere positie wanneer uw schuldenaar kampt met solvabiliteitsproblemen. U kunt uw vordering op de zaak verhalen met voorrang boven andere schuldeisers. Indien u hier mee te maken heeft of hierover meer wilt weten kunt u contact opnemen met de rechtswinkel!

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het retentierecht een handig middel is om pressie uit te voeren jegens de schuldenaar om betaling van de vordering af te dwingen. Bovendien geeft het in tijde van onzekerheid een sterke positie ten aanzien van de eventuele solvabiliteit van uw schuldenaar. Kortom, een juridisch leerstuk waar elke ondernemer zijn voordeel mee kan doen!

De wettelijke verplichting tot loonbetaling door de werkgever

16-03-2021

Door: Demi Boer

Een van de belangrijkste plichten van een werkgever is dat hij tijdig het loon van de werknemer betaalt. Betaalt uw werkgever, om welke reden dan ook, uw loon niet? Hoe zorgt u ervoor dat u toch nog uw loon op de bankrekening krijgt? In deze blog kunt u lezen wat u kunt doen!

Ingevolge artikel 7:616 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is de werkgever verplicht tot het uitbetalen van het loon van de werknemer. Een werknemer moet uiteraard ook in zijn levensonderhoud kunnen voorzien. Om die reden kent artikel 7:623 BW de verplichting aan de werkgever toe om het loon op een bepaald tijdstip te voldoen. Uw werkgever mag uw loon niet zonder reden inhouden of te laat betalen. Als uw werkgever het loon niet (op tijd) voldoet, zijn er een aantal stappen die u kunt volgen die tot uitbetaling van uw loon zullen leiden.

Informeer

Voordat u verdere stappen onderneemt, is het verstandig om altijd eerst te informeren bij uw werkgever waarom het loon nog niet is uitbetaald. Het kan zijn dat er iets is misgegaan met de uitbetaling en dat het gaat om een misverstand. U kunt in dit geval verzoeken dat het salaris zo snel mogelijk wordt voldaan. Indien het niet gaat om een misverstand zijn er twee mogelijkheden. Uw werkgever heeft geen geldige reden en wil het loon niet uitbetalen of uw werkgever geeft aan dat hij het loon niet kan betalen. 

Werkgever wil loon niet uitbetalen

Aangetekende brief

Indien het niet gaat om een misverstand en uw werkgever heeft uw loon nog steeds niet uitbetaald, kunt u een aangetekende brief versturen. In de aangetekende brief vermeldt u dat uw loon nog niet is betaald en dat u uw werkgever een redelijke termijn (twee weken) geeft om het loon alsnog te betalen. Dit wordt ook wel een loonvordering genoemd. In de loonvordering kunt u vermelden dat u recht heeft op de wettelijke verhoging en wettelijke rente en dat u dit zal innen indien er niet wordt overgegaan tot betaling.

Wanneer uw werkgever onterecht uw loon niet betaalt, nadat u hem in gebreke heeft gesteld, heeft u recht op de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW). De wettelijke verhoging kan worden gezien als een boete voor de werkgever, omdat het loon te laat is betaald. De hoogte van het bedrag die uw werkgever verschuldigd is, hangt af van het aantal dagen dat uw werkgever te laat is met betalen. Deze kosten mag u in rekening brengen vanaf de derde werkdag dat uw werkgever uw loon had moeten uitbetalen. De wettelijke verhoging bedraagt:

-         5% per dag voor de vierde tot en met de achtste werkdag na de dag waarop het loon moest worden betaald;

-         Daarna (vanaf de negende werkdag) 1% voor elke volgende werkdag.

De wettelijke verhoging kan nooit meer zijn dan 50% van uw loon. Daarnaast kan de rechter deze vordering matigen, indien hij dit in de gegeven omstandigheden redelijk acht.

Naast deze wettelijke verhoging kunt u als werknemer ook een wettelijke rente verlangen als de werkgever na de uw gegeven termijn in de aangetekende brief nog steeds niet tot uitbetaling van het loon is overgegaan. Wettelijke rente is de rente die een schuldeiser in het algemeen kan aanvragen van een schuldenaar als die te laat is met betalen. Dit geldt dus ook voor een te late loonbetaling. De wettelijke rente is 2% per jaar.

Naar de rechter

Als uw werkgever uw loon na de aangetekende brief nog steeds niet heeft betaald, kunt u naar de rechter stappen. Bij de rechter kunt u het loon, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vorderen.

Werkgever kan loon niet uitbetalen

Er kan zich ook de situatie voordoen dat uw werkgever het geld niet heeft om uw loon uit te betalen. Dit is sinds de corona-uitbraak in Nederland veelal het geval. In dat geval is het niet verstandig om een loonvordering te starten, omdat uw werkgever dan technisch gezien failliet is. Voor een werknemer kan dit een reden zijn om naar de rechter te stappen en faillissement van het bedrijf aan te vragen. Een faillissement wordt pas uitgesproken indien voor de rechter komt vast te staan dat de schuldenaar (uw werkgever) in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen, zo bepaalt artikel 1 lid 1 van de Faillissementswet. Hiertoe zijn een aantal voorwaarden verbonden die u, als werknemer, dient te stellen.

Er moet ten minste worden voldaan aan drie voorwaarden. Ten eerste moet de aanvrager van het faillissement een vordering hebben op de schuldenaar. Ten tweede moet de vordering van de aanvrager van het faillissement opeisbaar zijn. Ten derde moet er sprake zijn van pluraliteit van schuldeisers. Dit betekent dat u aannemelijk moet maken dat er nog een andere persoon, bijvoorbeeld een collega, een vordering heeft op uw werkgever. Deze vordering wordt een steunvordering genoemd. Om de pluraliteit aan te tonen, zal u moeten beschikken over minimaal één steunvordering. Deze drie voorwaarden moeten in ieder geval behaald worden maar zijn niet altijd voldoende om uw werkgever in staat van faillissement te laten verklaren. Ten slotte moet de schuldenaar namelijk in de toestand verkeren dat hij is opgehouden te betalen. Hierbij is vereist dat het gaat om een duurzame toestand.

Indien u ervan uitgaat dat u aan deze voorwaarden voldoet, kunt u een advocaat in de arm nemen. De advocaat zal een verzoekschrift indienen bij de rechtbank. De rechter zal dan beoordelen of er aan de voorwaarden is voldaan. Indien de rechter het faillissement zal uitspreken, kunt u als werknemer het achterstallige loon bij het UWV claimen. Het UWV neemt dan de betalingsverplichting van uw werkgever over op grond van artikel 61 en artikel 64 Werkloosheidwet. Dit wordt ook wel de loongarantieregeling genoemd.

Zit u zelf in een dergelijke situatie of heeft u vragen over dit onderwerp, of een ander juridisch onderwerp, neem dan gerust contact met ons op! 

De gevolgen van een strafbeschikking

16-02-2021

Door: Leonie de Vos

De strafbeschikking is een omstreden middel van het Openbaar Ministerie (OM) om delicten af te handelen. Sinds 2008 doen officieren van justitie namelijk eenvoudige zaken zelf af, zonder tussenkomst van de rechter. Het OM mag daarbij geen gevangenisstraf opleggen, maar wel een geldboete, taakstraf of rijverbod. Een veroordeling levert dan een strafblad op. Nu rechtbanken door de coronacrisis een achterstand moeten inlopen, zal het OM vaker een strafbeschikking op gaan leggen. Wat zijn daar nu eigenlijk de gevolgen van en hoe kunt u het beste handelen als u een strafbeschikking heeft ontvangen?

Soorten boetes

Er zijn drie verschillende soorten boetes: een transactievoorstel, een mulderboete en een strafbeschikking. Een transactievoorstel is een manier om vervolging af te kopen. Het komt dan ook niet op uw strafblad te staan. Indien u dit niet betaalt, wordt uw zaak bij de rechter behandelt. Transactievoorstellen worden eigenlijk bijna niet meer gegeven.

Een mulderboete komt ook niet op uw strafblad. Indien u het niet eens bent met deze boete, kunt u bezwaar maken. Doet u dit niet, dan wordt de boete na een tijd onherroepelijk. Indien u geen bezwaar maakt en niet betaalt, wordt de boete verhoogd.

Een strafbeschikking komt juist wel op uw strafblad te staan, indien de boete hoger is dan 100 euro, naast de geldboete nog een bijkomende straf wordt opgelegd en/of er een taakstraf wordt opgelegd.

U kunt de verschillende boetes uit elkaar houden door de letter die rechtsboven in de brief staat die u hebt gekregen. Een mulderboete wordt aangegeven met een M en een transactievoorstel met een T. Strafbeschikkingen worden aangegeven met een S of een O. Daarnaast staat altijd duidelijk vermeld dat het om een strafbeschikking gaat.

In verzet

Indien u een strafbeschikking heeft gekregen en het daar niet mee eens bent, kunt u bezwaar maken bij de officier van justitie. Dit heet in verzet gaan. Hiervoor heeft u 14 dagen de tijd. Deze 14 dagen gaan in vanaf het moment dat u weet dat u een strafbeschikking heeft gekregen. Er zijn twee manieren om in verzet te gaan: u kunt een brief sturen of naar de balie gaan van het parket bij u in de buurt. Een parket is een kantoor van het OM.

Indien u een brief stuurt, heet dit een verzetschrift. Alleen u of uw advocaat mogen deze brief schrijven. Op de volgende website kunt u vinden wat in dit verzetschrift moet staan: https://www.cjib.nl/ik-ben-het-niet-eens-met-een-strafbeschikking

Als u het niet eens bent met de strafbeschikking is het erg belangrijk dat u de eventuele boete niet betaalt! Indien u dit wel doet, bekent u namelijk het feit. Betaalt u niet, maar gaat u ook niet in verzet, dan bekent u het feit ook en wordt de boete verhoogd.

Na uw verzet

Binnen enkele maanden ontvangt u een reactie van de officier van justitie naar aanleiding van uw verzet. De officier van justitie kan uw strafbeschikking intrekken of wijzigen, of de zaak voorleggen aan de rechter. Indien de strafbeschikking wordt gewijzigd, is het nieuwe strafvoorstel altijd een lagere straf.

Gevolgen van een strafblad

Een registratie in het Justitieel Documentatie Systeem heeft een aantal gevolgen. Zo kunt u bepaalde beroepen niet meer uitvoeren, zoals advocaat, docent of deurwaarder. Voor bepaalde beroepen of functies heeft u misschien een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) nodig. Een strafblad kan betekenen dat u deze niet krijgt. Tenslotte kunnen visa, een verblijfsvergunning of bepaalde verzekeringen worden geweigerd.

Kortom, heeft u een strafbeschikking gekregen en bent u het hier niet mee eens? Ga dan op tijd in verzet en betaal de boete niet.

  

Algemene voorwaarden voor consumenten 101

20-01-2021

Door: Yvonne Bin

De algemene voorwaarden. Iedereen kent ze wel. De meesten zullen het voornamelijk kennen als het stuk tekst dat meestal wordt overgeslagen. In plaats van het lezen wordt er liever rechtstreeks naar de akkoord-knop gescrold. Ook bij overeenkomsten op papier zijn de algemene voorwaarden terug te vinden. Gelukkig heeft onze wetgever er rekening mee gehouden dat ze vaak niet aandachtig worden gelezen. Het kan namelijk zo zijn dat u achteraf toch nog onder een clausule van dat vervelende stuk tekst uit kunt komen.

Wat zijn algemene voorwaarden precies? Artikel 6:231 sub a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), beschrijft ze als bepalingen die voor meerdere overeenkomsten gebruikt worden, met uitzondering van de bepalingen die de kern van de prestaties aangeven. Aangezien de algemene voorwaarden voor meerdere overeenkomsten gebruikt worden, zijn ze vaak ook terug te vinden op de website van het bedrijf met wie u een overeenkomst hebt gesloten. Als de algemene voorwaarden onderdeel zijn van de overeenkomst, bent u gebonden wanneer de overeenkomst tot stand is gekomen. Dit geldt ook wanneer u de algemene voorwaarden niet heeft gelezen (op grond van artikel 6:232 BW).

Wanneer u de algemene voorwaarden niet goed heeft doorgenomen is er voor u, als consument, na het sluiten van de overeenkomst een inhoudstoetsing van de algemene voorwaarden mogelijk. Er zijn twee gronden die een bepaling uit de algemene voorwaarden vernietigbaar maken. Ten eerste moet u een redelijke mogelijkheid hebben gehad om van de algemene voorwaarden kennis te nemen (artikel 6:233 sub b BW). De gebruiker van de algemene voorwaarden moet hierbij aan verschillende eisen voldoen om dit mogelijk te maken. Dit is uitgewerkt in artikel 6:234 BW. Ten tweede kan een bepaling onredelijk bezwarend voor u blijken (artikel 6:233 sub a BW).

Maar wat houdt ‘onredelijk bezwarend’ dan in? De term ‘onredelijk bezwarend’ wordt ingevuld door de wetgever. In artikel 6:236 BW staat de zwarte lijst. Hierin worden gevallen genoemd, die in ieder geval onredelijk bezwarend zijn. Hierbij kunt u denken aan bepalingen waarin een bedrijf u het recht ontneemt om de prestatie op te kunnen eisen, of dat het bedrijf het recht tot ontbinding beperkt. Een bepaling is ook onredelijk bezwarend, wanneer de gebruiker van de algemene voorwaarden in een bepaling heeft opgenomen dat zij zelf bepaalt of ze tekort is geschoten in de nakoming. Naast de zwarte lijst, bestaat de grijze lijst. Deze is opgenomen in artikel 6:237 BW. Hierin staan gevallen genoemd, waarin bepalingen vermoed worden onredelijk te zijn. Hier kan dus twijfel over bestaan en is tegenbewijs mogelijk. Een voorbeeld is een bepaling waarin de gebruiker van de algemene voorwaarden uitsluit dat u gebruik kunt maken van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding. Andere voorbeelden zijn: een bepaling die een bedrijf de mogelijkheid geeft om een prestatie te leveren die een andere is dan is overeengekomen, of een bepaling waarin een lange termijn is opgenomen voor het bedrijf om aan de nakoming te voldoen. Ten slotte geldt bij twijfel over de uitleg van de bepalingen van de zwarte en grijze lijst, dat ze in uw voordeel moeten worden uitgelegd (artikel 6:238 lid 2 BW).

Heeft u zelf een geschil over de algemene voorwaarden? Of heeft u een juridische vraag over een ander geschil? Stuur ons dan gerust een e-mail via info@rechtswinkelgo.nl en dan helpen wij u graag verder! 

De 100%-regel in het verkeer

13-07-2020

Door: Sjouk Bruinsma

Stel dat uw kind van 10 jaar met de fiets plotseling zonder te kijken de weg oprijdt en in botsing komt met een auto die onmogelijk nog kan remmen. Gelukkig valt het achteraf mee. Behalve dat u en uw kind flink zijn geschrokken heeft uw kind een gebroken arm en wat blauwe plekken. De automobilist heeft, in een poging uit te wijken, een paaltje geraakt en als gevolg daarvan een deukje in de auto.

Wie is nu aansprakelijk voor de schade die als gevolg van het ongeluk is ontstaan? Heeft de automobilist gelijk als deze beweert dat het de eigen schuld van het kind was (niet uitkijken) en dat sprake was van overmacht (remmen was onmogelijk)?

De wet zegt het volgende

De eigenaar of bestuurder van een motorrijtuig (auto’s, bromfietsen, motoren) is aansprakelijk voor de schade die door het motorrijtuig is veroorzaakt ten opzichte van een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer, zoals een voetganger of fietser. Dit staat in artikel 185 Wegenverkeerswet (hierna artikel 185 WVW). De eigenaar of bestuurder kan zich op overmacht beroepen, maar in de praktijk gaat de rechter er niet snel van uit dat sprake is van overmacht. Wanneer alleen motorrijtuigen (auto’s, bromfietsen, motoren) of alleen ongemotoriseerden (voetgangers, fietsers) bij het ongeval betrokken zijn, is artikel 185 WVW niet van toepassing. De Hoge Raad heeft artikel 185 WVW verder verduidelijkt in de rechtspraak.

Motivatie 100%-regel

De Hoge Raad heeft op basis van het artikel 185 WVW voor kinderen jonger dan 14 jaar een speciale regel, de 100%-regel, geformuleerd. Op grond van de 100% regel is de automobilist volledig aansprakelijk voor alle schade, indien een kind jonger is dan 14 jaar. Deze regel is dus niet in het wetboek terug te vinden. Volgens de Hoge Raad kunnen voor de 100%-regel de volgende argumenten worden aangedragen:

1. Kinderen hebben door hun impulsiviteit en onberekenbaarheid van gemotoriseerd verkeer aanzienlijk meer gevaar te duchten dan volwassen voetgangers of fietsers.

2. Het is de bedoeling van artikel 185 WVW om deze kinderen te beschermen tegen de extra risico’s die het gemotoriseerde verkeer voor hen meebrengt.

3. Juist voor kinderen zijn de gevolgen van een aanrijding, in het bijzonder wanneer het om blijvend lichamelijk of geestelijk letsel gaat, uitzonderlijk ingrijpend.

Totstandkoming 100%-regel

De 100%-regel is het resultaat van een tweetal belangrijke arresten van de Hoge Raad waarvan het eerste betrekking heeft op de eigen schuld en het tweede op overmacht. Voor de bepaling van de eigen schuld is het volgende van belang:

1. hoeveel schuld hebben slachtoffer en aansprakelijke persoon aan het ongeval en;

2. wat zijn de omstandigheden van het geval.

1. hoeveel schuld hebben slachtoffer en aansprakelijke persoon aan het ongeval, door wiens schuld is het ongeluk (in belangrijke mate) veroorzaakt.

Ingrid Kolkman, een meisje van bijna 14 jaar, steekt 's ochtends een voorrangsweg over, terwijl zij had moeten wachten, en wordt daarbij geschept door een bestelbusje. De Hoge Raad gaf in het arrest van Ingrid Kolkman een bijzondere regel met betrekking tot de eigen schuld van een ongemotoriseerde voetganger/fietser beneden de 14 jaar. Kinderen onder de 14 jaar kunnen niet voor onrechtmatige gedragingen aansprakelijk worden gesteld, dit volgt uit art. 6:164 Burgerlijk Wetboek. Indien een kind onder de 14 jaar eigen schuld heeft bij veroorzaakte schade kan dit niet aan het kind worden toegerekend, tenzij er sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid van het kind.

Bij opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid kan gedacht worden aan de door oudere kinderen gespeelde gevaarlijke spelletjes zoals het vlak voor naderend verkeer oversteken of aan het in de duisternis op de middenstreep van de weg gaan liggen. Bij opzet kan men ook aan zelfmoord denken, maar die zullen in deze leeftijdscategorie zeer schaars zijn.

2. wat zijn de omstandigheden van het geval, geven deze omstandigheden aanleiding om een correctie op de eigen schuld toe te passen.

Marbeth van Uitregt (10 jaar oud) reed vanuit de uitrit van het woonhuis van haar vriendinnetje met haar fiets onverhoeds en zonder eerst naar rechts te kijken rechtsaf de Steenstraat op, waarmee zij een ernstige verkeersovertreding beging. Zij botste daarbij tegen de linker voorzijde van een auto. De Hoge Raad heeft in het arrest van Marbeth van Uitregt een specifieke regel geformuleerd met betrekking tot overmacht. Bij aanrijdingen tussen een motorrijtuig en een kind beneden de 14 jaar moet worden aangenomen dat fouten van het kind die hebben bijgedragen aan de aanrijding voor rekening komen van de bestuurder en geen overmacht voor de bestuurder opleveren. Ook hier geldt weer dat er geen sprake moet zijn van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid, maar dat komt in de praktijk maar zelden voor.

Concluderend kan worden gesteld dat op grond van deze twee arresten de automobilist die een kind aanrijdt op basis van de 100%-regel van de Hoge Raad volledig aansprakelijk is voor alle schade, indien het kind jonger dan 14 jaar is.

Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen

Verder speelt op de achtergrond de verplichte Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen (WAM-dekking) een rol oftewel de verzekeraar moet de schade vergoeden. De Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen verplicht bezitters van een motorrijtuig om een verzekering af te sluiten die de schade, ontstaan door dat motorrijtuig, aan verkeersslachtoffers moet vergoeden. Deze wet is ingevoerd op 1 januari 1965 en speelt dus al ruim een halve eeuw een belangrijke rol bij verkeersongevallen waar een motorrijtuig bij is betrokken. Het doel van deze wet is om de belangen te beschermen van slachtoffers die betrokken zijn bij een verkeersongeval met een motorrijtuig. Wanneer iemand een verkeersongeluk heeft gehad, kan deze zijn schade namelijk rechtstreeks vorderen bij de WAM-verzekeraar van de bezitter van het motorrijtuig.

Non-conformiteit bij de aanschaf van een (nieuwe) auto

15-06-2020

Door: Bas van der Ent

Het kopen van een auto is voor de meeste mensen een leuke gebeurtenis. Toch kunnen er aan de auto gebreken kleven, die voor aankoop niet altijd duidelijk waren. In juridische zin kan in dat geval mogelijk sprake zijn van bijvoorbeeld non-conformiteit, dwaling of zelfs, in uitzonderlijke omstandigheden, bedrog. In deze blog zal specifiek worden ingegaan op het eerste leerstuk: non-conformiteit.

De consument

Non-conformiteit is geregeld aan het begin van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarbij dient allereerst opgemerkt te worden dat een consument extra wettelijke bescherming geniet. Een consument is volgens artikel 7:5 lid 1 BW een natuurlijke persoon die niet handelt in het kader van bedrijfsdoeleinden een overeenkomst sluit met een partij die wel in het kader van bedrijfsdoeleinden handelt (een zakelijke partij).

De hoofdregel (voor alle kopers)

In artikel 7:17 lid 1 BW wordt gesteld dat de zaak (de auto) aan de overeenkomst moet voldoen. In het tweede lid wordt vervolgens genoemd wanneer een zaak niet aan een overeenkomst voldoet. Er zal gelet moeten worden op de aard van de zaak en de door de verkoper gedane mededelingen. Dit laatste wordt ook wel de mededelingsplicht van de verkoper genoemd. Tevens mag een koper verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn. Van een auto mag men verwachten dat deze zich kan voortbewegen van punt A naar punt B. Indien de koper afspraken met de verkoper heeft gemaakt omtrent bijzonder gebruik, dan zal ook daaraan voldaan moeten zijn.

Van de koper wordt ook enige inzet verwacht. Zo kan een koper zich volgens artikel 7:17 lid 5 BW niet op non-conformiteit beroepen, indien het betreffende gebrek hem bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Dit wordt ook wel de onderzoeksplicht van de koper genoemd. Over het algemeen zal de koper de gelegenheid krijgen de auto voor en tijdens een proefrit nader te inspecteren.

Belangrijke punten waarop een koper moet letten bij de aanschaf van een auto zijn onder meer de kilometerstand, het aantal vorige eigenaren, de APK-vervaldatum, de waarde, het uiterlijk (bijvoorbeeld de lak), enzovoort.

Extra bescherming consument

In tegenstelling tot artikel 7:17 BW, geldt artikel 7:18 BW enkel voor consumenten. Zo stelt artikel 7:18 lid 2 BW dat in het geval een gebrek zich binnen zes maanden na aflevering voordoet, wordt vermoed dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. Dit houdt in dat de verkoper aan zal moeten tonen dat de auto wel aan de overeenkomst beantwoordt en de koper ‘slechts’ de stellingen van de verkoper moet verwerpen met andere bewijsstukken. Normaal gesproken is het aan de koper om aan te tonen dat een gebrek bij aankoop reeds bestond. Artikel 7:18 lid 2 BW creëert voor de consumentenkoper dus een gunstigere positie.

Recht op correcte nakoming

Indien is vastgesteld dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt, kan de koper volgens artikel 7:21 lid 1 BW eisen dat het ontbrekende wordt afgeleverd (denk bijvoorbeeld aan een missend onderdeel), het gebrek aan de auto wordt hersteld of de auto volledig wordt vervangen. In geval sprake is van een consumentenkoop kan hier alleen van worden afgeweken in het geval herstel dan wel vervanging redelijkerwijs niet van de verkoper gevergd kan worden. Dit zal het geval zijn wanneer de kosten van herstel dan wel vervanging niet in verhouding staan tot het gebrek.

In het geval de verkoper niet binnen redelijke tijd nakomt, heeft de koper volgens artikel 7:22 lid 1 BW het recht de overeenkomst te ontbinden dan wel om prijsvermindering te verzoeken in evenredigheid met de ernst van het gebrek. De koper zal dus eerst de verkoper de gelegenheid moeten geven het gebrek te herstellen, voordat deze bevoegdheden kunnen worden aangewend.

De verkoper heeft een mededelingsplicht en de koper een onderzoeksplicht. Een consument geniet meer wettelijke bescherming. De bewijslast wordt namelijk omgedraaid in geval er zich een gebrek voordoet binnen zes maanden na aflevering. De koper heeft in het geval non-conformiteit is aangetoond verschillende rechten, te weten aflevering van het ontbrekende, herstel en vervanging. Ontbinding van de overeenkomst en prijsvermindering worden daaraan toegevoegd, in geval de verkoper niet binnen een redelijke termijn de gebreken verhelpt. 

Partneralimentatie

03-06-2020

Door: Annelijn van Es

Echtgenoten en geregistreerde partners zijn onderhoudsplichtig. Dat betekent dat u verplicht bent voor elkaar te zorgen, ook financieel. Na het beëindigen van uw relatie blijft de onderhoudsplicht voor uw ex-partner bestaan. U heeft recht op alimentatie van uw partner indien u getrouwd of geregistreerd partner bent geweest én uw ex-partner een hoger inkomen heeft.

Wijzigingen per 1 januari 2020

Op 1 januari is de nieuwe Wet Herziening Partneralimentatie ingegaan. De regels omtrent de duur van de partneralimentatie zijn gewijzigd. Start u na 1 januari 2020 een echtscheidingsprocedure? Dan heeft u recht op partneralimentatie voor de helft van het aantal jaar dat uw huwelijk duurde, tot een maximum van 5 jaar. Bent u bijvoorbeeld 4 jaar getrouwd geweest, dan heeft u recht op 2 jaar partneralimentatie. Er gelden een aantal uitzonderingen:

1.      Heeft u samen kinderen? Dan stopt de partneralimentatie niet eerder dan dat het jongste kind van u en uw echtgenoot 12 jaar wordt. Voorbeeld: Was u 4 jaar getrouwd en is uw jongste kind 4 jaar oud? Dan heeft u recht op 8 jaar partneralimentatie.

2.      Als het huwelijk langer dan 15 jaar of geregistreerd partner heeft geduurd en de alimentatiegerechtigde binnen 10 jaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, dan eindigt de partneralimentatie op het moment dat de alimentatiegerechtigde de AOW leeftijd bereikt;

3.      Als het huwelijk langer dan 15 jaar heeft geduurd of geregistreerd partner en de alimentatiegerechtigde is geboren vóór of op 1 januari 1970, dan eindigt de partneralimentatie na 10 jaar;

Als het verzoek nog in 2019 is ingediend geldt de wetgeving 2019 (dus maximaal 12 jaar alimentatie) en als het verzoekschrift wordt ingediend na 1 januari 2020 dan geldt de nieuwe wetgeving (dus maximaal 5 jaar alimentatie).

Gescheiden voor 2020

Heeft u de echtscheiding ingediend tussen 1 juli 1994 en 1 januari 2020? Dan gelden de oude regels.

- Duurde uw huwelijk of geregistreerd partnerschap langer dan 5 jaar? Dan heeft u maximaal 12 jaar recht op partneralimentatie.

- Heeft u samen kinderen? Dan heeft u maximaal 12 jaar recht op partneralimentatie.

- Duurde het huwelijk of partnerschap korter dan 5 jaar en heeft u geen kinderen? Dan heeft u net zo lang recht op partneralimentatie als het huwelijk of de partnerschap duurde.

Komt u in ernstige problemen als de alimentatie stopt? Dan kunt u de rechter vragen de periode te verlengen. U kunt ook samen een kortere of langere periode afspreken. Dit moet u vastleggen in uw echtscheidingsconvenant of overeenkomst.

Wilt u meer weten over dit onderwerp of heeft u andere vragen? Neem dan gerust contact met ons op! 

Uw rechten tijdens de Corona-maatregelen

06-05-2020
Door: Anne Verboom

Het Corona-virus heeft een grote impact op onze maatschappij. De vrijheid om te gaan en staan waar we willen is ingeperkt. Dat alles met één doel: onszelf en onze medemens beschermen. Begrijpelijk, maar soms ook lastig. In deze blog wordt een overzicht gegeven van uw rechten op het gebied van werk, school, reizen en sporten.

Verplicht vakantie opnemen

Veel werkgevers hebben het in deze tijd erg lastig, veel bedrijven hebben minder werk. De werkgever kan u als werknemer echter niet verplichten om vakantie op te nemen. De teruglopende werkzaamheden komen immers voor rekening en risico van de werkgever. Wat de werkgever wel kan doen is een redelijk verzoek aan de werknemers om bijvoorbeeld voor 1 september 2020 minimaal 70% van de opgebouwde vakantiedagen op te nemen. Dit komt voort uit het beginsel van goed werknemerschap.

Om de werkgevers tegemoet te komen heeft de overheid de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) opgesteld. De NOW is bedoeld om werkgevers te ondersteunen wanneer deze te maken hebben met omzetverlies.

Basisscholen weer open

Vanaf 11 mei zullen de basisscholen weer worden opengesteld voor onderwijs. Maar u twijfelt, liever houdt u uw kinderen nog even thuis. Normaal gesproken krijgt u dan te maken met de onderwijsinspectie. In de Tweede Kamer is een motie ingediend door de PVV en PvdA die door alle partijen werd ondersteund. Hiermee is besloten dat ouders die hun kinderen thuishouden niet te maken krijgen met de onderwijsinspectie tijdens de Corona-pandemie.

Reizen

De vakantie voor deze zomer was al geboekt, maar nu wilt u toch liever in eigen land blijven. Wanneer het ministerie van Buitenlandse Zaken uw bestemming afraadt kan de reis kosteloos worden geannuleerd. Als de reisorganisatie de reis niet kan uitvoeren heeft u recht op vergoeding van de reiskosten. Op dit moment worden veel reizen geannuleerd, waardoor reisorganisaties vouchers aanbieden waarmee u op een ander moment of naar een andere bestemming kunt reizen. Met een voucher van de reisorganisatie kunt u een voordeel hebben wanneer de reisorganisatie failliet gaat en de kosten niet kan terugbetalen. Uw voucher kunt u immers bij een andere reisorganisatie inwisselen. Ook blijft uw recht op geld in stand, u kunt namelijk alsnog later besluiten om uw geld terug te vragen. Mocht u hier niet akkoord mee willen gaan, heeft u recht op terugbetaling van de kosten.

Sporten

Vanaf 29 april mogen jongeren tot en met 18 jaar weer samen trainen in de buitenlucht. Ook volwassenen mogen weer trainen vanaf 11 mei, maar moeten ook dan 1,5 meter afstand houden.

Maar wat kunt u nu nog met uw sportschoolabonnement? U heeft bijvoorbeeld een sportschoolabonnement voor een jaar afgesloten maar kunt geen gebruik maken van de faciliteiten. Dit betekent dat uw dienst niet wordt geleverd, terwijl u er wel voor heeft betaald. U heeft dan recht op compensatie. U kunt akkoord gaan met alternatieven zoals online lessen. Maar hiermee maakt u geen gebruik van de dienst waarvoor u heeft betaald. Gedeeltelijke ontbinding kan dan een oplossing bieden. U betaalt geen contributie voor de periode dat de sportschool is gesloten. Uw sportschool moet de contributie voor die periode aan u terugbetalen.

De omgangsregeling: hoe komt deze tot stand? 
20-04-2020
Door: Danique Vermeulen

Een echtscheiding is al vervelend genoeg, vooral als daar kinderen bij betrokken zijn. Indien dit het geval is, moet u een omgangsregeling treffen. Als ouder heb je recht op omgang met je kinderen. En kinderen hebben recht op contact met beide ouders. Om dit goed te regelen is het van belang dat er een omgangsregeling wordt opgesteld. In een omgangsregeling, ook wel bekend als bezoekregeling, staan alle afspraken die jullie maken over de omgang met jullie (kind)eren. Het is een verzameling afspraken over wanneer en hoe vaak de kinderen bij de niet-verzorgende ouder zijn. Belangrijk om te vermelden is dat er geen concrete omgangsregeling bestaat. Iedere situatie is anders. Een omgangsregeling is passend als de ouders en de kinderen tevreden zijn.

Samen afspraken maken en vastleggen

Ouders zijn vrij om samen afspraken te maken. U moet in elk geval afspreken wie de verzorgende ouder is. In andere woorden: u moet dus in elk geval afspreken wat het hoofdverblijf van de kinderen is en wanneer de andere ouder de kinderen ziet. Het hoofdverblijf is de woning waar uw kind/kinderen het meest verblijft/verblijven. Uw kind staat op dit adres bij de gemeente ingeschreven. Ook moet er in de omgangsregeling komen te staan hoe vaak en wanneer de kinderen bij de niet-verzorgende ouder zullen zijn.

De afspraken over de omgang worden vaak vastgelegd in een ouderschapsplan. Tevens is een ouderschapsplan verplicht als u gaat scheiden en wanneer u kinderen heeft. Overigens kunt u kiezen om de afspraken in een overzichtelijk schema te zetten of de omgang te beschrijven.

Welke afspraken staan in de omgangsregeling?

U weet hoe u de afspraken kunt vastleggen. Wat voor soort afspraken staan er in de omgangsregeling? Denk hierbij aan de volgende soort afspraken:

  • Afspraken m.b.t. verdeling van tijd: Op welke dagen zijn de kinderen bij wie? Op welke dagen gaan de kinderen weer terug naar de andere ouder? En op welke tijden? Blijven de ouders bij elkaar in de buurt wonen? In welke mate houden de ouders contact op het moment dat de kinderen bij de andere ouder zijn?
  • Afspraken m.b.t. halen en brengen: Welke ouder brengt of haalt de kinderen van/naar school, sport en andersoortige activiteiten?
  • Afspraken m.b.t. vakanties en feestdagen

Voorbeelden van omgangsregelingen

De meest voorkomende omgangsregelingen zijn de volgende:

  • De klassieke omgangsregeling: De kinderen verblijven gedurende één weekend per 14 dagen bij de niet-inwonende ouder. Vakanties en feestdagen worden vaak evenredig verdeeld.
  • De meer uitgebreide klassieke omgangsregeling: De kinderen verblijven naast één weekend per 14 dagen ook nog één of meerdere doordeweekse dag(en) bij de niet-inwonende ouder.
  • Co-ouderschap: Bij de co-ouderschapsregeling zijn beide ouders gelijkwaardig betrokken bij de verzorging en opvoeding van hun kind(eren). Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verzorgende en niet-verzorgende ouder.

Wat als u er samen niet uitkomt?

Indien het niet lukt om samen een omgangsregeling vast te stellen kunt u een mediator inschakelen. Een mediator of bemiddelaar bespreekt punten met u die van belang zijn voor de omgangsregeling en legt de afspraken vast in een ouderschapsplan. Komt u er niet uit met de hulp van een mediator? Dan kunt u de rechter verzoeken om een omgangsregeling vast te stellen. U heeft daarvoor een advocaat nodig omdat de procedure valt onder het burgerlijk recht. Een minderjarige kan ook zelf de rechter om een omgangsregeling vragen. Meer informatie over het verloop van de procedure vindt u hier.

Mocht u vragen hebben n.a.v. dit artikel of over omgangsregelingen, dan bent u van harte welkom op een van onze spreekuren! 

Schade door een bijtincident: hoe is de aansprakelijkheid geregeld? 

24-03-2020

Door: Carmen de Rooij

In Nederland hebben ruim anderhalf miljoen honden een warm mandje gekregen. De vrolijke viervoeters zorgen voor veel mooie momenten en al snel zijn ze een onmisbaar deel van het gezin waarin ze zijn opgenomen. Helaas kunnen honden ook flinke schade veroorzaken. Volgens een schatting worden in ons land jaarlijks 150.000 mensen door een hond gebeten. Gemiddeld is ruim dertig procent van deze bijtincidenten zo ernstig dat er een dokter of een ziekenhuis aan te pas moet komen. Stel: u bent gebeten door een hond. Wie is aansprakelijk voor de schade die u hierdoor lijdt? Voor welke kosten kunt u na een bijtincident komen te staan? Kunt u deze schade vergoed krijgen? Wat kunt u zelf het beste doen na een bijtincident?

Wie is aansprakelijk voor de schade na een hondenbeet?

De schade die een hond door te bijten aanricht komt volgens de wet voor risico van het baasje van de hond. Deze aansprakelijkheid van de hondenbezitter is in de wet bijzonder geregeld. Het enkele feit dat de hond schade veroorzaakt door te bijten maakt de hondenbezitter aansprakelijk voor deze schade. Het baasje van de hond hoeft zelf geen schuld te hebben aan het voorval. Zelfs als de hondenbezitter de hond heeft aangelijnd, en daarmee voorzorgsmaatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de hond schade veroorzaakt, blijft hij of zij aansprakelijk voor de schade die de hond veroorzaakt.

Waarom komt de schade veroorzaakt door een huisdier voor risico van de bezitter?

Het risico dat een dier schade veroorzaakt ligt bij de bezitter van dit dier. Het kan daarbij gaan om een hond die bijt, maar ook om een kat die krabt of om een paard dat trapt. De wetgever heeft het risico dat een dier schade veroorzaakt bij de bezitter neergelegd met een reden. Honden hebben, net als andere dieren, een “eigen energie”. Dat wil zeggen dat honden mogelijk dingen kunnen doen die de hondenbezitters niet zien aankomen, zoals bijten. Daardoor kunnen dieren onberekenbaar zijn en een risico vormen voor anderen. Omdat de bezitter van het dier er zelf voor heeft gekozen het dier in huis te nemen komt de schade die het dier veroorzaakt, door bijvoorbeeld te bijten, voor risico van bezitter.

Welke schade kunt u vergoed krijgen van de hondenbezitter?

Volgens de wet is de hondenbezitter aansprakelijk voor al de schade die zijn of haar hond veroorzaakt. De hondenbezitter zal alle door de hondenbeet veroorzaakte schade aan u moeten vergoeden. Na een hondenbeet kunt u voor diverse kosten komen te staan. Allereerst kunt u denken aan schade aan uw kleding. Daarnaast kunt u voor medische kosten komen te staan. Na de hondenbeet heeft u misschien medische verzorging nodig van uw huisarts, een arts op de eerste hulp van het ziekenhuis, een medisch specialist of u zal een tetanusprik nodig hebben. Wanneer niet u maar uw eigen hond door een andere hond wordt gebeten, zal u voor de behandeling van uw hond naar de dierenarts moeten en zal u dierenartskosten maken. Het kan voorkomen dat de hondenbeet zo ernstig is dat u voor een bepaalde tijd niet in staat bent om te werken. Dan loopt u inkomsten mis.

Wat kunt u zelf het beste doen na een bijtincident?

Wanneer u schade heeft opgelopen na een hondenbeet is het allereerst verstandig om achter de identiteit en gegevens van de hondenbezitter te komen. U kunt de hondenbezitter vragen zich te identificeren om zeker te zijn wie de hondenbezitter is. Wanneer u weet wie de hondenbezitter is, kunt u hem of haar aansprakelijk stellen voor uw schade. De hondenbezitter kan hierna de schade melden bij zijn aansprakelijkheidsverzekering zodat de schade kan worden afgehandeld.

  

Erfenis aanvaarden of verwerpen? 

11-03-2020

Door: Femke Boogaard

Een erfenis wordt vaak geassocieerd met het ontvangen van veel geld en bezittingen, maar dit is zeker niet altijd het geval. Als iemand overlijdt, zijn er soms ook schulden die afbetaald moeten worden. De erfgenaam kan dit in dat geval afbetalen met het geld wat de overledene achterlaat. Het kan wel een probleem worden als de schulden groter zijn dan de erfenis, aangezien deze dan alsnog betaald moeten worden.

Indien de overledene veel schulden achterlaat en u deze als erfgenaam niet wilt betalen, zijn er verschillende manieren om dit te voorkomen. U kunt ervoor kiezen om de gehele erfenis te verwerpen of om deze beneficiair te aanvaarden. 

Beneficiair aanvaarden

Beneficiair aanvaarden houdt in dat u een erfenis alleen aanvaardt als de bezittingen groter zijn dan de schulden. U wordt dus erfgenaam en kunt bezittingen erven, maar geen schulden. Als de schulden hoger zijn hoeft u als erfgenaam deze namelijk niet te betalen. Het beneficiair aanvaarden kost geld, en vergt een verklaring die u moet afleggen voor de rechter dat u de erfenis op deze manier wilt aanvaarden. 

Voor deze procedure gelden de regels voor vereffening. Vereffening houdt in dat er wettelijke procedurevoorschriften gevolgd moeten worden. Voorbeelden hiervan zijn het opmaken van een boedelbeschrijving, het bewaren van goederen van de overledene of andere erfgenamen opzoeken.

Verwerpen

Een andere mogelijkheid is om de erfenis te verwerpen. Een voordeel hiervan is dat u geen schulden van de overledene hoeft te betalen. Echter, indien de overledene ook nog bezittingen had, kunt u deze ook niet meer verkrijgen. 

Het weigeren van een erfenis moet worden geregeld bij de rechtbank, waar u een schriftelijke verklaring moet afleggen. Hierbij moet een kopie van een geldig legitimatiebewijs en een kopie van de overlijdensakte zijn toegevoegd. Deze procedure zal ook geld kosten. Als de erfenis is verworpen, is het daarna ook niet meer mogelijk om dit nog terug te draaien.

Het is daarnaast natuurlijk ook mogelijk om de erfenis te aanvaarden, ook wel het zuiver aanvaarden genoemd. In dit geval erft u alle schulden en bezittingen. Het zuiver aanvaarden kan door een ondertekening van een verklaring bij de notaris of door naar de griffie van de rechtbank te gaan. Anders dan bij het verwerpen, kan er worden teruggekomen op deze keuze bij een hoge uitzondering. Dit kan zijn wanneer er een hoge schuld achterblijft waarvan u geen kennis heeft en ook niks over had kunnen weten. Het is daarom van groot belang om goed te onderzoeken of de overledene nog schulden had.

 

Een voogd benoemen voor uw kinderen

19-02-2020

Door: Leonie de Vos

Wat gebeurt er met mijn kinderen na mijn overlijden? Kan en moet ik vastleggen wie de voogdij krijgt? Wat gebeurt er als ik niets doe? Met deze vragen bestookten mijn ouders mij een aantal weken geleden. Deze vragen kunnen voor u ook relevant worden. De antwoorden hierop zet ik in deze blog uiteen.

Wat als ik niets doe?

Indien u, als ouders, beiden gezag heeft over uw (minderjarige) kind en een van u overlijdt, dan krijgt de andere ouder automatisch alleen het gezag. Als u allebei overlijdt, bepaalt de rechter, op grond van artikel 1:295 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), wie voogd wordt. De rechter doet dit op verzoek of op eigen initiatief.

Gezamenlijk gezag heeft u automatisch als het kind binnen uw huwelijk geboren is, of de man het kind vóór het huwelijk heeft erkend. Bent u niet getrouwd, of bent u geen geregistreerd partnerschap aangegaan? Dan heeft alleen de moeder automatisch het gezag over haar kind. De vader moet hiervoor het kind erkennen en een verzoek indienen bij de rechtbank. Na een echtscheiding oefent u nog steeds beiden gezag uit over uw kind, maar niet meer gezamenlijk.

Wanneer u als ouder alleen het gezag heeft en u overlijdt, bepaalt de rechter wie het gezag krijgt. Dit kan de andere ouder zijn, maar ook iemand anders. Wanneer de andere ouder binnen 1 jaar een verzoek tot gezag doet, heeft dit de voorkeur. De rechter mag in dat geval alleen een ander benoemen als dit beter is voor het kind.

Ik heb een toekomstige voogd op het oog, kan ik dit vastleggen?

Indien u een toekomstige voogd voor uw kind wenst vast te leggen, kan dit op twee manieren. Op grond van artikel 1:292 BW kunt u een voogd benoemen in uw testament, of laten aantekenen in het gezagsregister. U kunt ook bepalen dat twee personen gezamenlijk voogd worden. Na uw overlijden zal de griffier van de rechtbank aan deze persoon of personen vragen of deze voogd willen worden.

Wat is het verschil tussen het benoemen in mijn testament en het vastleggen in het gezagsregister?

Het vastleggen van een voogd in het gezagsregister is een stuk laagdrempeliger dan een voogd benoemen in uw testament. Het registreren in het gezagsregister is namelijk gratis en kunt u online regelen op de website rechtspraak.nl. Indien u de aanvraag schriftelijk wilt doen, zijn er wel kosten aan verbonden. U moet namelijk diverse documenten meesturen die u bij uw gemeente opvraagt. het bedrag dat hiervoor gevraagd wordt, verschilt per gemeente.

Nadat u de aanvraag heeft gedaan, verwerkt de rechtbank uw formulier. U ontvangt binnen 2 weken een uittreksel uit het gezagsregister.

Het benoemen van een voogd in uw testament is iets complexer. Voor het opstellen van een testament heeft u namelijk een notaris nodig. Hier zijn kosten aan verbonden, deze verschillen per notaris.

Nu regelen wie na uw overlijden de voogdij krijgt over uw kind, is dus niet zo ingewikkeld. Een aanvraag indienen voor het gezagsregister is gemakkelijk online te regelen. Natuurlijk kunnen zich ingewikkelde situaties voordoen. Op de website van rijksoverheid en op rechtspraak.nl is daarom nog veel meer informatie te vinden over dit onderwerp.